Nieuws-detail -

29 augustus 2018 - Arbeidsrecht nieuws

Inleiding

Een arbeidsovereenkomst kan op meerdere manieren tot een einde komen.
Één van die manieren is het sluiten van een zogenaamde vaststellingsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer. Volgens de wet (artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek) binden partijen bij een vaststellingsovereenkomst zich tegenover elkaar aan de inhoud daarvan en geldt zo'n overeenkomst mede ter voorkoming van geschillen.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden moest zich onlangs buigen over de vraag of een werkgever op zo'n vaststellingsovereenkomst mocht terugkomen nadat was gebleken dat de werknemer fraude had gepleegd. De werkgever had wel wat hobbels te nemen. Er was immers sprake van een vaststellingsovereenkomst. Daarin was ook nog opgenomen dat de werkgever en werknemer elkaar finale kwijting verleenden. Bovendien bevatte de vaststellingsovereenkomst de volgende bepaling:

"Partijen doen onherroepelijk afstand van hun recht om de vaststellingsovereenkomst te (laten) ontbinden, te vernietigen of de nietigheid in te roepen om welke reden dan ook."

De werkgever liet het er toch niet bij zitten en daar was wel wat voor te zeggen. Het ging namelijk niet om diefstal door een willekeurige werknemer van een pak papier of een markeerstift (wat ook niet mag) maar om aanzienlijke fraude door het hoofd financiën. Deze was per 1 mei 2012 vertrokken en bleek achteraf in de periode 2005-2012 een bedrag van omstreeks € 325.000,-- van de werkgever te hebben verduisterd.

De werkgever vernietigde de vaststellingsovereenkomst op grond van dwaling, stellende dat hij deze nooit zou hebben gesloten als hij had geweten wat de werknemer had gedaan. De werknemer beriep zich op de vaststellingsovereenkomst en stelde dat een beroep op vernietiging afketste op de overeengekomen finale kwijting en de afstand die de werkgever had gedaan van het recht op vernietiging.

De uitspraak van het Hof

Nadat de kantonrechter al korte metten had gemaakt met het verweer van de werknemer en daarbij onder meer overwoog dat honorering van zijn standpunt zou leiden tot een 'maatschappelijk onaanvaardbaar vonnis', gaat ook het hof daarin niet mee.

Het hof overweegt allereerst dat het finale kwijting beding alleen betrekking had op de arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan en dus niet op de later geconstateerde fraude. De volgende vraag die het hof moest beantwoorden, was of de overeenkomst wel kon worden vernietigd. Het hof overweegt in dat kader allereerst dat de aard van de vaststellingsovereenkomst in beginsel aan een succesvol beroep op dwaling in de weg staat. Dat betekent volgens het hof echter niet dat een vaststellingsovereenkomst nooit ten gevolge van een wilsgebrek (zoals dwaling) kan worden aangetast.
Het hof overweegt vervolgens dat een beroep op dwaling in het voorliggende geval, waarin een werknemer in de functie van hoofdadministratie jarenlang ernstige fraude pleegt en dit verzwijgt, wel degelijk is toegestaan. De werknemer voerde nog aan dat de dwaling voor rekening van de werkgever moest blijven omdat deze beter had moeten controleren, maar dat verweer werd door het hof verworpen omdat juist was gebleken dat de werknemer op 'vernuftige wijze had getracht zijn fraude te maskeren.

Ten slotte

De uitspraak bevredigt allereerst het rechtsgevoel. Voor werkgevers is het goed om te weten dat fraudeurs altijd, ook na afloop van het dienstverband en ook als er finale kwijting is verleend, kunnen worden aangepakt.

Voor meer informatie of advies over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Erik Lichtenveldt (tel: 010-7504475 of e-mail el@thladvocaten.nl)

 

Deel dit artikel:

De sharefunctionaliteit is niet beschikbaar omdat de cookies zijn uitgeschakeld. Kunnen cookies weer worden geactiveerd?

Terug naar vorige pagina
Wij gebruiken cookies om de ervaring op onze website te verbeteren, statistieken bij te houden en je toegang te geven tot onze social media.
Door gebruik te maken van deze website of door op akkoord te drukken, ga je akkoord met ons cookiebeleid. Je kan cookies ook niet accepteren.