Nieuws-detail -

Hoge Raad: wangedrag op kantoor verhuurder is reden voor ontruiming in kort geding.

13 maart 2026 - Vastgoedrecht nieuws

Inleiding / Goed huurderschap

Iedere huurder is op grond van artikel 7:213 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht om zich ‘ ten aanzien van het gehuurde’ als goed huurder te gedragen. Onder deze verplichting valt het niet veroorzaken van overlast. Mishandeling en bedreiging van personeel van de verhuurder wordt in rechtspraak ook gezien als handelen in strijd met de verplichting om zich als goed huurder te gedragen. Een bekend voorbeeld is de huurder die de directeur van de verhuurder opsloot in een vriescel.

De uitspraak van de Hoge Raad

De Hoge Raad moest in een uitspraak van 5 december 2025 oordelen over een huurder die niet direct medewerkers van de verhuurder mishandelde of bedreigde, maar die zich wel meerdere malen misdroeg op het kantoor van de verhuurder omdat het gehuurde niet aan zijn wensen voldeed.
Op 13 januari 2023 bezocht de huurder het kantoor van de verhuurder en kleedde hij zich in de ontvangsthal uit. Dat leidde tot een kantoorverbod van zes maanden. Vervolgens heeft de huurder zich binnen de termijn van zes maanden nog meerdere malen misdragen op het kantoor van de verhuurder. Bij twee bezoeken sneed hij zich weer met een mes. De huurder dreigde ook zichzelf van het leven te beroven. 

De verhuurder startte een kort geding tot ontruiming. De kantonrechter wees die vordering af onder de overweging dat er op zich voldoende reden was voor ontruiming, maar dat de huurder zich na het laatste incident had gedragen, professionele begeleiding accepteerde en medicatie gebruikte. De belangen van de huurder om in de woning te blijven wogen daardoor zwaarder dan de belangen van de verhuurder bij ontruiming, aldus de kantonrechter. Het hof gaf in hoger beroep de verhuurder gelijk. Daarbij speelde een rol dat de huurder na de uitspraak van de kantonrechter geen hulp en medicatie meer accepteerde en andere woonruimte (uit de uitspraak lijkt te volgen dat het ging om begeleid wonen) had geweigerd.

De uitspraak van de Hoge Raad is met name interessant omdat de huurder betoogde dat zijn ge(mis)dragingen hadden plaatsgevonden op het kantoor van de verhuurder en niet in of om de woning en er dus geen sprake was van handelingen ‘ ten aanzien van het gehuurde’ zoals artikel 7:213 BW noemt. De Hoge Raad maakt daar, in lijn met eerdere rechtspraak, korte metten mee en overweegt als volgt;

“De in artikel 7:213 BW bedoelde verplichting heeft niet alleen betrekking op zorg voor de gehuurde zaak, maar ook op zorg voor de woonomgeving. Ook kan deze verplichting betrekking hebben op gedragingen van de huurder buiten het gehuurde, mits er een voldoende band bestaat met de huurovereenkomst.”

De Hoge Raad oordeelde dat in deze zaak aan dit criterium was voldaan, nu de gedragingen hadden plaatsgevonden in het kantoor van de verhuurder en ook nog waren gericht op het verkrijgen van een andere woning.

Tot slot

In een tijd waarin agressie van huurders tegenover huurders en agressief gedrag op kantoren van verhuurders vaker lijkt voor te komen, is deze uitspraak een welkome bevestiging van de ontoelaatbaarheid van zulk gedrag. Huurders moeten er rekening mee houden dat zulk gedrag er toe kan leiden dat zij hun woning verliezen.

Voor meer informatie over dit onderwerp of advies kunt u contact opnemen met Erik Lichtenveldt (telefoonnummer: 010-7504475 of el@thladvocaten.nl).

Deel dit artikel:

De sharefunctionaliteit is niet beschikbaar omdat de cookies zijn uitgeschakeld. Kunnen cookies weer worden geactiveerd?

Terug naar vorige pagina
Wij gebruiken cookies om de ervaring op onze website te verbeteren, statistieken bij te houden en je toegang te geven tot onze social media.
Door gebruik te maken van deze website of door op akkoord te drukken, ga je akkoord met ons cookiebeleid. Je kan cookies ook niet accepteren.